Dominique Meeùs, retour à la page de départ des asbl
Dernière modification le  

Volgens de website http://just.fgov.be/

26 Juni 2003. - Koninklijk besluit betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen internationale en verenigingen zonder winstoogmerk

Bron: JUSTITIE

Publicatie: 11-07-2003

Inwerkingtreding: onbepaald (ART. (17))

Dossiernummer: 2003-06-26/38

Inhoudstafel

Aanhef

Verslag aan de Koning

Boek I. – Regels betreffende de in artikel 17, § 2, van de wet bedoelde vereenvoudigde boekhouding voor de verenigingen zonder winstoogmerk

Titel I. – Algemene beginselen inzake het voeren van de boekhouding

Hoofdstuk I. – Boekhouding

Afdeling I. – Algemene regels

Art. 1-2

Afdeling II. – Het dagboek

Art. 3

Afdeling III. – Verantwoordingsstukken

Art. 4

Hoofdstuk II. – Inventaris

Art. 5-8

Titel II. – Jaarrekening

Hoofdstuk I. – Algemene beginselen

Art. 9-11

Hoofdstuk II. – Staat van de ontvangsten en uitgaven

Art. 12

Hoofdstuk III. – Toelichting

Art. 13-14

Boek II. – Mogelijkheid om zich te onderwerpen aan de boekhoudkundige verplichtingen opgelegd aan de verenigingen bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet

Art. 15

Boek III. – Regels betreffende de vereenvoudigde boekhouding, inzake respectievelijk de stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, bedoeld in de artikelen 37, § 2, en 53, § 2, van de wet

Art. 16

Boek IV. – Diverse bepalingen

Art. 17-18

Bijlagen

Art. N1-N3

Aanhef

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen zoals gewijzigd bij de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, inzonderheid op de artikelen 17, § 2, 37, § 2, en 53, § 2;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 27 februari 2003;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 23 mei 2003;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de wens aan de rechtspersonen bedoeld in de wet van 27 juni 1921 de mogelijkheid te bieden zich binnen een redelijke termijn te kunnen voorbereiden op de nieuwe verplichtingen die hen worden opgelegd;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 6 juni 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2o, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Verslag aan de Koning

Sire,

Sinds de wijziging door de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, bepaalt de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, voortaan de “wet op de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen” genoemd, dat het bestuursorgaan in alle voornoemde verenigingen en stichtingen de jaarrekening van het voorbije boekjaar alsook de begroting van het volgende boekjaar moet opmaken. (In de wet is geen enkele nadere bepaling geformuleerd inzake de vorm en de inhoud van de begroting. – Met het oog op relevantie, duidelijkheid en vergelijkbaarheid van de informatie is het aan te raden dat de begroting op dezelfde wijze is opgemaakt als de staten waaruit de jaarrekening bestaat.)

De verenigingen zonder winstoogmerk en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, moeten de jaarrekening en de begroting bovendien ter goedkeuring voorleggen aan de algemene vergadering of aan het algemeen bestuursorgaan.

Afhankelijk van hun omvang worden de verenigingen en stichtingen voortaan overigens onderworpen aan meer gedetailleerde boekhoudkundige verplichtingen betreffende het voeren van hun boekhouding en het opmaken, het bekendmaken en het controleren van hun jaarrekening.

Overeenkomstig de algemene regel geformuleerd in de artikelen 17, § 2, 37, § 2, en 53, § 2, van de wet moeten de verenigingen en de stichtingen een vereenvoudigde boekhouding voeren die ten minste betrekking heeft op de mutaties in contant geld of op de rekeningen, volgens een door Uwe Majesteit vastgesteld model.

Zodra de verenigingen en de stichtingen op de datum van de afsluiting van het boekjaar de in de wet vastgestelde cijfers voor ten minste twee van de drie criteria hebben bereikt, te weten het aantal werknemers, met name het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 5 voltijdse werknemers, de ontvangsten, in totaal 250 000 EUR aan andere dan uitzonderlijke ontvangsten, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, en een balanstotaal van 1 000 000 EUR, moeten zij evenwel hun boekhouding voeren en hun jaarrekening opmaken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, onder voorbehoud van de aanpassingen die Uwe Majesteit kan aanbrengen en die vereist zijn gelet op de bijzondere aard van hun activiteiten en op hun wettelijk statuut.

Krachtens de wet zijn bovendien noch het model voor de vereenvoudigde boekhouding, noch de verplichtingen die voortvloeien uit voornoemde wet van 17 juli 1975 van toepassing op de verenigingen en stichtingen die, wegens de aard van de activiteiten die zij in hoofdzaak uitoefenen, onderworpen worden aan bijzondere regels die volgen uit een wetgeving of uit een openbare regelgeving met betrekking tot hun boekhouding en jaarrekening, voor zover zij ten minste gelijkwaardig zijn aan de regels waarin de wet voorziet.

Het is bijgevolg de taak van de bestuursorganen van deze verenigingen en stichtingen om op hun verantwoordelijkheid en onder toezicht van de dienstdoende commissaris na te gaan of de bijzondere boekhoudkundige verplichtingen waaraan zij onderworpen zijn, ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke krachtens de wet van toepassing zouden zijn. Over het algemeen vloeit deze gelijkwaardigheid niet voort uit het loutere gegeven dat de vereniging of de stichting voor het verkrijgen van subsidies verplicht wordt boekhoudkundige inlichtingen te verschaffen aan de subsidiërende overheid.

De jaarrekening van de verenigingen en stichtingen die voor het voeren van hun boekhouding en het opmaken van hun jaarrekening onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 moeten, naar gelang van het geval, worden opgenomen in het dossier dat wordt gehouden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg of bij de Ministerie van Justitie. Zulks geldt trouwens ook voor de jaarrekening van de kleinere verenigingen en stichtingen.

De jaarrekening van de grote verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen moeten worden neergelegd bij de Nationale Bank van België.

Ingeval een vereniging of een stichting de in de wet vastgestelde – hogere – bedragen te boven gaat voor ten minste twee van de drie bovenvermelde criteria (50 werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in totaal 6 250 000 EUR aan andere dan uitzonderlijke ontvangsten, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde en een balanstotaal van 3 125 000 EUR) of ingeval zij per jaar gemiddeld meer dan honderd voltijdse werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten in dienst heeft, moet de controle van haar financiële toestand, van haar jaarrekening en de regelmatigheid ten aanzien van de wet en de statuten, alsmede van de verrichtingen die kunnen worden afgeleid uit de jaarrekening, worden toevertrouwd aan een commissaris benoemd onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren.

In het besluit dat de Regering de eer heeft U voor te leggen, wordt voorgesteld het model op te stellen op grond waarvan de kleine, en derhalve wellicht de meeste verenigingen en stichtingen, hun boekhouding moeten voeren en hun jaarrekening moeten opmaken.

Terzelfder tijd wordt U een apart besluit voorgelegd dat ertoe strekt de verplichtingen die voor de grootste verenigingen en stichtingen voortvloeien uit voornoemde wet van 17 juli 1975 in overeenstemming te brengen met de vereisten die volgen uit de bijzondere aard van hun activiteiten en hun wettelijk statuut. In dit besluit wordt bovendien de wijze bepaald waarop de jaarrekeningen van sommige van deze verenigingen en stichtingen bij de Nationale Bank van België moeten worden neergelegd.

Er wordt voorgesteld de kleine verenigingen en stichtingen de mogelijkheid te bieden vrijwillig de bepalingen toe te passen die gelden voor de grotere entiteiten.

Hoewel het vereenvoudigde boekhoudkundige model dat in dit besluit wordt voorgesteld voor de kleine verenigingen en stichtingen – en dat infra wordt besproken – een adequaat instrument van boekhoudkundige verantwoording kan vormen voor tal van verenigingen en stichtingen, beantwoordt het niet aan de vereisten van een volledige dubbele boekhouding.

Overigens zou de verplichting tot inachtneming van sommige wettelijke of regelgevende, inzonderheid fiscale (bv. BTW) of zelfs contractuele bepalingen ertoe kunnen leiden dat kleine verenigingen of stichtingen opteren voor een meer uitgewerkte boekhouding.

De Regering acht het echter nodig deze mogelijkheid te onderwerpen aan diverse voorwaarden teneinde de oprechtheid en de vergelijkbaarheid van de rekeningen te vrijwaren.

Vooreerst moet de vereniging of de stichting de beslissing om van boekhoudkundig kader te veranderen in de toelichting vermelden en verantwoorden, alsook opgave doen van de belangrijkste gevolgen die daaruit voor haar voortvloeien. De vereniging of de stichting moet bovendien gedurende drie opeenvolgende boekjaren ten minste alle bepalingen betreffende het voeren van de boekhouding en het opmaken van de jaarrekening toepassen die gelden voor de grote verenigingen en de stichtingen. De jaarrekening moet gedurende die periode volgens hetzelfde boekhoudkundig schema worden opgemaakt.

Krachtens de wettelijke bepalingen moeten de rekeningen opgemaakt volgens voornoemde wet van 17 juli 1975 in een dergelijk geval worden opgenomen in het dossier dat ter griffie of bij de FOD Justitie is geopend. Zulks leidt evenwel niet tot de verplichting de rekeningen neer te leggen bij de Nationale Bank van België zoals bepaald in het wettelijk stelsel dat geldt voor de grootste verenigingen en stichtingen.

Ingeval de vereniging of de stichting haar boekhouding vervolgens opnieuw wil voeren volgens het model bepaald in dit besluit, moet de genomen beslissing ook worden vermeld en verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening met opgave van de belangrijkste gevolgen voor de vereniging.

Deze mogelijkheid, evenals andere overwegingen inzake rechtszekerheid, vereisen dat de bepalingen vervat in beide besluiten voor het eerst van toepassing zijn op hetzelfde boekjaar.

De boekhoudkundige bepalingen van de nieuwe wet, alsook de regelgevende bepalingen ter uitvoering ervan, moeten het gemeen boekhoudrecht van de verenigingen zonder winstoogmerk en van de stichtingen en vormen, naar het voorbeeld van het gemeen boekhoudrecht van ondernemingen gevormd door voornoemde wet van 17 juli 1975 en sommige bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen alsook de respectieve uitvoeringsbesluiten, een model worden voor de uitwerking of de wijziging van de sectorale boekhoudkundige bepalingen.

Dit gemeen boekhoudrecht van de verenigingen zonder winstoogmerk en van de stichtingen zal evolueren naar het voorbeeld van het gemeen boekhoudrecht van de ondernemingen waarop het gedeeltelijk is gegrond, zowel op grond van de behoeften van de entiteiten die eraan onderworpen zijn, als van de partijen die belangstellen in deze jaarrekeningen, en als gevolg van de ontwikkelingen op Europees en internationaal vlak onder invloed van bijvoorbeeld de IAS/IFRS-normen (International Accounting Standards/International Financial Reporting Standards) goedgekeurd door de International Accounting Standards Board en de IPSAS-normen (International Public Sector Accounting Standards) voorgesteld door de IFAC (International Federation of Accountants).

In het kader van de tenuitvoerlegging van deze nieuwe bepalingen kan, in het bijzonder voor de grote entiteiten die onder de toepassing van voornoemde wet van 17 juli 1975 vallen, lering worden getrokken uit de rechtsleer die sinds ongeveer dertig jaar door de Commissie voor Boekhoudkundige Normen is ontwikkeld.

De Regering wil daarnaast evenwel de noodzakelijke maatregelen nemen opdat de Commissie voor Boekhoudkundige Normen juridisch bevoegd zou zijn en over de passende middelen zou beschikken met het oog op de follow-up van het nieuwe gemeen boekhoudrecht van de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, alsmede deze entiteiten en de beroepsbeoefenaars te machtigen haar te raadplegen over algemene vragen inzake de interpretatie van de nieuwe regelgeving. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen zou in het licht daarvan en op grond van de beginselen vervat in de wet en in de uitvoeringsbesluiten, elk advies moeten kunnen verstrekken aan de Regering en aan het Parlement, op hun verzoek of op eigen initiatief, alsook de boekhouddoctrine ontwikkelen en via adviezen of aanbevelingen de beginselen van een regelmatige boekhouding formuleren.

Teneinde de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen te vergemakkelijken zal een brochure opgemaakt door het Instituut der Bedrijfsrevisoren, het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten, de Nationale Bank van België en de Commissie voor Boekhoudkundige Normen worden verspreid, nog voor de nieuwe boekhoudkundige verplichtingen voor het eerst in werking treden.

Er moet worden onderstreept dat de wetsbepalingen en de besluiten die de uitvoering ervan verzekeren, er niet toe strekken het voeren van een analytische boekhouding door de verenigingen en de stichtingen op te leggen en a fortiori te organiseren.

In tal van gevallen zal de verplichting om bijvoorbeeld aan een subsidiërende overheid inlichtingen te verstrekken over specifieke projecten of activiteiten van de vereniging of van de stichting, deze laatste echter ertoe aanzetten om naast de algemene boekhouding een boekhouding te voeren waarin de kosten kunnen worden bepaald waarvan zij de terugbetaling kan vragen.

Zoals supra gesteld, strekt het besluit dat U wordt voorgelegd ertoe de boekhoudkundige verplichtingen van de kleine verenigingen en de stichtingen nader te bepalen door de omschrijving van een vereenvoudigd boekhoudkundig model.

De globale benadering bij de uitwerking van dit model bestaat erin het voeren van een kasboekhouding op te leggen die met name enkel de mutaties bevat in contant geld of op de rekeningen-courant of als zodanig te beschouwen, met uitzondering van bijvoorbeeld de termijnrekeningen. De aldus gevoerde boekhouding leidt tot een jaarlijkse staat van de ontvangsten en uitgaven die moet worden aangevuld met een jaarlijks opgemaakte staat van het vermogen uitgaande van de volledige inventaris van de activa, de rechten, de schulden en de verplichtingen van welke aard ook van de vereniging of de stichting.

Enkel de verrichtingen die betrekking hebben op de mutaties in contant geld of op de rekeningen, ongeacht of zij tot stand gekomen zijn met derden of intern in de vereniging of de stichting, moeten bijgevolg zonder uitstel worden geregistreerd, dit betekent zonder uitstel zodra de betaling is ontvangen of uitgevoerd, getrouw en volledig naar tijdsorde, in het dagboek dat iedere kleine vereniging of stichting moet bijhouden. In de boekhouding wordt geen enkele andere verrichting opgenomen en zij zal dus niet volledig zijn in de zin waarin deze term over het algemeen wordt aangewend.

Het ongesplitste dagboek dat moet worden bijgehouden, wordt opgemaakt volgens het model dat als bijlage A gaat bij dit besluit. Het betreft een minimaal model dat ertoe strekt de diverse ontvangsten en uitgaven van de vereniging of de stichting te registreren.

Zolang het dagboek beperkt is tot de registratie van de verrichtingen met betrekking tot de mutaties in contant geld of op de rekeningen en aldus het voor de verenigingen en de stichtingen vastgestelde basisbeginsel in acht neemt, kan en moet het in vele gevallen worden aangepast opdat de boekhouding zou aangepast zijn aan de aard en de omvang van de activiteiten van de vereniging of de stichting.

Dit dagboek moet beantwoorden aan de vereisten die hun grondslag vinden in het gemeen boekhoudrecht van de ondernemingen en de materiële continuïteit ervan, alsook de regelmatigheid en de onomkeerbaarheid van de boekingen beogen. Het dagboek moet met name gemerkt zijn en geïdentificeerd zijn door de naam van de vereniging of de stichting.

Veeleer dan te opteren voor het viseren ter griffie, stelt de Regering voor dat het dagboek voor het eerste gebruik en nadien ieder jaar, door de perso(o)n(en) die de vereniging of de stichting ten aanzien van derden vertegenwoordig(t)(en), wordt ondertekend.

Het dagboek moet naar tijdsorde worden bijgehouden, zonder witte vakken, noch weglatingen. Bij correctie moet de oorspronkelijke boeking leesbaar blijven. Het dagboek moet worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting ervan (De vereiste voor een genummerde en gehandtekend dagboek verbiedt niet dat de boekhouding wordt gevoerd met behulp van een spreadsheet of software voor de kasboekhouding. Zoals dat reeds het geval is voor de ondernemingen (Bulletin CBN, nr. 8, april 1981, pp. 5-6), is de methode die erin bestaat computerlistings in het dagboek te kleven, conform het bepaalde in het besluit aangezien het kleven zodanig is gebeurd dat het bestendige karakter van de geregistreerde gegevens gewaarborgd wordt.).

Regels die hun oorsprong vinden in het gemeen boekhoudrecht van de ondernemingen zijn overigens opgenomen met betrekking tot de vereiste verantwoordingsstukken voor elke boeking.

Aangezien de bepalingen betreffende het bijhouden van een dagboek en de verantwoordingstukken ten minste gedeeltelijk gegrond zijn op de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, kan worden verwezen naar de verduidelijkingen die de Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft gegeven, inzonderheid in Bulletin nr. 38 over de beginselen van een regelmatige boekhouding.

De staat van ontvangsten en uitgaven die moet worden opgemaakt volgens een minimaal schema dat is opgenomen in bijlage B van het besluit, vloeit rechtstreeks voort uit het dagboek. De totalen van de verschillende rubrieken van ontvangsten en uitgaven zijn erin vermeld.

Met het oog op de transparantie en opdat de boekhoudkundige verantwoording niet beperkt zou zijn tot de verrichtingen die betrekking hebben op de mutaties in contant geld of op de rekeningen, maar zou slaan op de door de vereniging of de stichting ontvangen giften en legaten in natura, alsook opdat de vereniging of de stichting zou kunnen beschikken over de gegevens op grond waarvan een beginbalans kan worden opgemaakt ingeval de vereniging of de stichting als gevolg van haar groei de wettelijke criteria zou overschrijden en zou worden onderworpen aan het stelsel van de dubbele boekhouding, is het volgens de Regering verantwoord de kleine verenigingen en stichtingen te verplichten jaarlijks een volledige inventaris op te maken van hun activa, rechten, schulden en verbintenissen van welke aard ook.

Naar het voorbeeld van het bepaalde in het gemeen boekhoudrecht voor sommige handelaars, natuurlijke personen, vennootschappen onder firma en gewone commanditaire vennootschappen, is het de taak van de bestuursorganen van de verenigingen en de stichtingen om de criteria vast te leggen die ten grondslag liggen aan de waarderingen in de inventaris.

Zij kunnen zich daartoe gronden op de regels vastgesteld voor de grotere verenigingen en stichtingen die voor het voeren van hun boekhouding en het opmaken van hun jaarrekening ressorteren onder de bepalingen van de wet van 17 juli 1975.

Deze waarderingsregels moeten worden samengevat in de toelichting en in beginsel ieder boekjaar identiek zijn.

Deze inventaris mondt uit in een vermogensstaat die enerzijds het bedrag van alle bezittingen en de schulden van de vereniging of de stichting vermeldt, ongeacht het bedrag, en anderzijds de rechten en de verplichtingen van de vereniging of de stichting ingeval zij een belangrijke invloed kunnen hebben op de financiële toestand. Ingeval deze rechten en verplichtingen niet in cijfers kunnen worden uitgedrukt, moeten zij op passende wijze worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening.

De verenigingen zijn vaak eigenaar van hun activa (gebouwen, terreinen, machines, roerende goederen, rollend materieel, ...). De praktijk toont evenwel aan dat zij ook vaak goederen bezitten waarop zij enkel in de tijd en/of in de ruimte beperkte en precaire rechten kunnen uitoefenen (bv. goederen in het bezit in het kader van een leasingovereenkomst ...).

Opdat deze verschillende situaties uit de staat van het vermogen zouden kunnen worden afgeleid, stelt de Regering voor te voorzien in een passende onderverdeling met betrekking tot de verschillende betrokken rubrieken van de staat. Zo worden de onroerende goederen alsook de roerende goederen en het rollend materieel dat niet in volle eigendom aan de vereniging of de stichting behoort, maar belangrijk is, opgenomen in de staat van het vermogen. Het is aan het bestuursorgaan van de vereniging of van de stichting om te oordelen of met het oog op de duidelijkheid in de toelichting bij de jaarrekening bijkomende inlichtingen moeten worden verschaft.

Hoewel over het algemeen alle bezittingen in beginsel kunnen en ook worden gewaardeerd om fiscale of andere redenen (verzekering...), kan het zeer uitzonderlijk gebeuren dat een goed dat in het bezit is van een vereniging of een stichting gelet op de bijzondere aard ervan moeilijk kan worden gewaardeerd. De Regering stelt in dit geval voor het goed pro memorie te vermelden in de staat van het vermogen, zonder vermelding van enige waarde.

De beoordeling van het belang van een goed dat niet in volle eigendom is van een vereniging of een stichting alsook de beoordeling van het moeilijk waardeerbaar karakter van een goed, valt onder de bevoegdheid van het bestuursorgaan van de entiteit die de beslissing zal nemen overeenkomstig de criteria van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw. Deze beoordelingsbevoegdheid mag niet ertoe leiden de boekhoudkundige verplichtingen voor de grotere verenigingen en stichtingen te omzeilen.

De vermelding van ontvangen of terugbetaalde subsidies in de staat van ontvangsten en uitgaven alsook van te ontvangen of beloofde subsidies, tussen de schuldvorderingen en de rechten, in de staat van het vermogen, kan worden aangevuld met de vermelding van de subsidiërende overheid.

De jaarrekening die deze verenigingen en stichtingen moeten opmaken en in voorkomend geval moeten voorleggen aan de algemene vergadering van de vereniging of aan het algemeen bestuursorgaan van de stichting en die moet zijn opgenomen in het dossier dat is geopend ter griffie of bij de Ministerie van Justitie, omvat de staat van de ontvangsten alsook de toelichting die moet worden opgemaakt overeenkomstig het minimaal schema opgenomen in bijlage C bij van het besluit.

De Regering stelt voor de staat van het vermogen op te nemen in de toelichting bij de jaarrekening en niet als aparte staat naast de staat van ontvangsten en uitgaven.

Teneinde verwarring te voorkomen, meent de Regering dat het inderdaad noodzakelijk is een duidelijk onderscheid te maken tussen het toepasselijke boekhoudkundig stelsel op deze verenigingen en stichtingen dat op het beginsel van de kasboekhouding steunt waaruit uitsluitend de staat van ontvangsten en uitgaven voortvloeit, en het stelsel dat gegrond is op de dubbele boekhouding, dat van toepassing is op de grotere verenigingen en stichtingen en uitmondt op een volledige jaarrekening, samengesteld door een balans, een resultatenrekening en een toelichting.

Ik heb de eer te zijn,

Sire,

van Uwe Majesteit,

de zeer eerbiedige en zeer getrouw dienaar.

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen

Boek I. – Regels betreffende de in artikel 17, § 2, van de wet bedoelde vereenvoudigde boekhouding voor de verenigingen zonder winstoogmerk

Titel I. – Algemene beginselen inzake het voeren van de boekhouding

Hoofdstuk I. – Boekhouding

Afdeling I. – Algemene regels

Artikel 1. De boekhouding moet aangepast zijn aan de aard en de omvang van de activiteiten van de vereniging.

Art. 2. De verrichtingen die betrekking hebben op mutaties in contant geld of op rekeningen worden zonder vertraging, getrouw en volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitste dagboek volgens het minimaal model uit bijlage A bij dit besluit.

Afdeling II. – Het dagboek

Art. 3. § 1. Het in artikel 2 bedoelde dagboek is genummerd en wordt geïdentificeerd door de naam van de vereniging.

§ 2. Het dagboek wordt ondertekend voor het eerste gebruik en vervolgens ieder jaar door de perso(o)n(en) die de vereniging ten aanzien van derden vertegenwoordig(t)(en).

§ 3. Het dagboek wordt bijgehouden naar tijdsorde, zonder witte vakken, noch weglatingen, opdat de materiële continuïteit, alsook de regelmatigheid en de onomkeerbaarheid van de boekingen gewaarborgd zouden zijn. Bij correctie moet de oorspronkelijke boeking leesbaar blijven.

§ 4. Het originele dagboek moet gedurende tien jaar worden bewaard te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting ervan.

Afdeling III. – Verantwoordingsstukken

Art. 4. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.

De originele verantwoordingsstukken of een afschrift ervan wordt methodisch opgeborgen en tien jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.

Hoofdstuk II. – Inventaris

Art. 5. Ten minste eens per jaar worden, voorzichtig, oprecht en te goeder trouw, de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen verricht om op de gekozen datum de inventaris op te maken van de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook, van de vereniging.

Art. 6. De raad van bestuur van de vereniging bepaalt de regels die, rekening houdend met de kenmerken van de vereniging, ten grondslag liggen aan de waarderingen in de inventaris.

Deze regels zijn samengevat in de toelichting. Deze samenvatting moet voldoende nauwkeurig zijn teneinde de toegepaste waarderingsmethodes te kunnen beoordelen.

Art. 7. De in artikel 6 bedoelde waarderingsregels en de toepassing ervan moeten voor alle boekjaren dezelfde zijn.

Zij worden evenwel aangepast ingeval zij niet langer de mogelijkheid bieden om voorzichtig, oprecht en te goeder trouw de in artikel 5 bedoelde verrichtingen uit te voeren.

Deze aanpassingen worden vermeld en verantwoord in de toelichting. De inschatting van de invloed van deze aanpassingen wordt vermeld in de toelichting betreffende de rekeningen van het boekjaar waarin deze aanpassing voor het eerst werd ingevoerd.

Art. 8. De waarderingen moeten beantwoorden aan de criteria van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

Titel II. – Jaarrekening

Hoofdstuk I. – Algemene beginselen

Art. 9. De in de artikelen 17, § 1, en 26novies, § 1, 5o, van de wet bedoelde jaarrekening bevat de staat van ontvangsten en uitgaven alsook de toelichting. Deze stukken vormen een geheel. De jaarrekening wordt in euro geformuleerd, zonder decimalen.

Art. 10. De jaarrekening wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van deze titel.

Art. 11. De jaarrekening wordt voorzichtig, oprecht, te goeder trouw en duidelijk opgemaakt.

Ingeval de toepassing van de bepalingen van deze titel niet volstaat om te voldoen aan dit bepaalde, moeten in de toelichting bijkomende inlichtingen worden verschaft.

Hoofdstuk II. – Staat van de ontvangsten en uitgaven

Art. 12. De staat van de ontvangsten en de uitgaven vloeit rechtstreeks voort uit het in artikel 2 bedoelde dagboek.

De staat moet voor het afgesloten boekjaar stelselmatig de aard en het bedrag van de ontvangsten en de uitgaven van de vereniging vermelden.

Enige compensatie tussen ontvangsten en uitgaven is verboden.

De staat van ontvangsten en uitgaven moet overeenkomstig het minimaal schema in bijlage B van dit besluit worden opgemaakt.

Hoofdstuk III. – Toelichting

Art. 13. De toelichting bevat de inlichtingen zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 11 en 14, alsook een staat van het vermogen van de vereniging. Zij moet worden opgemaakt overeenkomstig het minimaal schema in bijlage C van dit besluit.

Art. 14. De staat van het vermogen vloeit rechtstreeks voort uit de in artikel 5 bedoelde inventaris.

De staat moet op de datum van de afsluiting van het boekjaar stelselmatig de aard en het bedrag van het geheel van de bezittingen en van de schulden van de vereniging vermelden. De onroerende goederen, de machines, de roerende goederen en het rollend materieel dat niet in volle eigendom is van de vereniging moeten evenwel enkel worden opgenomen in de staat van het vermogen indien zij signifiant zijn. Ingeval de raad van bestuur van oordeel is dat bepaalde bezittingen niet signifiant zijn, wordt zulks in de toelichting verantwoord. De moeilijk waardeerbare bezittingen worden pro memorie in de staat van het vermogen opgenomen en op gepaste wijze in de toelichting vermeld.

De staat van het vermogen moet bovendien de rechten en de verplichtingen vermelden die een belangrijke invloed kunnen hebben op de financiële toestand van de vereniging. Ingeval deze rechten en verplichtingen niet in cijfers kunnen worden vertaald, worden zij enkel op passende wijze in de toelichting vermeld.

Boek II. – Mogelijkheid om zich te onderwerpen aan de boekhoudkundige verplichtingen opgelegd aan de verenigingen bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet

Art. 15. Een vereniging die niet beantwoordt aan de criteria bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet en derhalve haar boekhouding kan voeren en haar jaarrekening kan opmaken overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, kan evenwel beslissen zich vrijwillig te onderwerpen aan de verplichtingen die voor de verenigingen zonder winstoogmerk bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet voortvloeien uit de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, zoals gewijzigd door de Koning krachtens artikel 17, § 3, tweede lid van de wet.

In dit geval past de vereniging het geheel van de bepalingen toe die gelden voor deze verenigingen en maakt zij haar jaarrekening volgens hetzelfde schema, verkort of volledig, bekend gedurende ten minste drie opeenvolgende boekjaren.

De beslissing wordt vermeld en verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening en geeft de belangrijkste gevolgen op voor de vereniging.

Ingeval de vereniging later beslist haar boekhouding opnieuw te voeren volgens het model omschreven in Boek I van dit besluit, is het derde lid van toepassing.

Boek III. – Regels betreffende de vereenvoudigde boekhouding, inzake respectievelijk de stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, bedoeld in de artikelen 37, § 2, en 53, § 2, van de wet

Art. 16. De voormelde bepalingen zijn van toepassing op de stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk die niet zijn bedoeld in de artikelen 37, § 3, en 53, § 3, van de wet.

Boek IV. – DIVERSE BEPALINGEN

Art. 17. Dit besluit treedt in werking op hetzelfde tijdstip als de wetsbepalingen waarvan het de tenuitvoerlegging regelt.

Art. 18. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, op 26 juni 2003.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen

Bijlagen

Art. N1. Bijlage A. – Bijlage A bij het koninklijk besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen: genormaliseerd minimaal model van dagboek. (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 11-07-2003, p. 37660).

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.

Gegeven te Brussel, op 26 juni 2003.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen

Art. N2. Bijlage B. – Bijlage B bij het koninklijk besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen: genormaliseerd minimaal schema van de staat van de ontvangsten en uitgaven.

Uitgaven                                       Ontvangsten

Goederen en diensten                           Lidgeld

Bezoldigingen                                  Schenkingen en legaten

Diensten en diverse goederen                   Subsidies

Andere uitgaven                                Andere ontvangsten

                   Totaal uitgaven                   Totaal ontvangsten

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.

Gegeven te Brussel, op 26 juni 2003.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen

Art. N3. Bijlage C. – Bijlage C bij het koninklijk besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen: schema van de bijlage.

1. Samenvatting van de waarderingsregels (art. 6).

2. Aanpassing van de waarderingsregels (art. 7).

3. Bijkomende inlichtingen (art. 11).

4. Genormaliseerd minimaal schema van de staat van het vermogen (art. 14).

Bezittingen                                    Schulden

Onroerende goederen (terreinen, ...)           Financiele schulden

– behorend tot de vereniging in volle

  eigendom

– andere

Machines                                       Schulden ten aanzien van

– behorend tot de vereniging in volle           leveranciers

  eigendom

– andere

Roerende goederen en rollend materieel         Schulden ten aanzien van

– behorend tot de vereniging in volle           leden

  eigendom

– andere

Stocks                                         Fiscale, salariele en

                                               sociale schulden

Schuldvorderingen

Geldbeleggingen

Liquiditeiten

Andere activa                                  Andere schulden

Rechten                                        Verplichtingen

Beloofde subsidies                             Hypotheken en

                                               hypotheekbeloften

Beloofde schenkingen                           Gegeven waarborgen

Andere rechten                                 Andere verbintenissen

5. Belangrijke rechten en verplichtingen die niet in cijfers kunnen worden weergegeven (art. 14).

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.

Gegeven te Brussel, op 26 juni 2003.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen.

Retour en haut de la page